In 1995 verscheen er een boek van de milieufilosoof Wim Zweers. Daarin trachtte hij uit te leggen hoe onze grondhouding ten opzichte van de natuur zou moeten veranderen om een milieuramp te voorkomen. Die grondhouding noemde hij ‘Participeren aan de natuur’, tevens de titel van zijn boek.
Sinds de Verlichting is onze grondhouding wel veranderd, maar niet wezenlijk. De natuur was object. De mens zou ooit leren deze geheel te begrijpen en naar zijn hand te zetten. De mens als despoot. Die houding veranderde in de 19e eeuw enigszins naar die van verlicht heerser. Het was de tijd dat de natuur bijgeschaafd moest worden binnen de menselijke natuur. De natuur was niet meer dan dode materie om te manipuleren. In de twintigste eeuw kwam het inzicht dat de mens geen eigenaar van de natuur is, maar deze beheert. In opdracht van God, als rentmeester. Dat is nog steeds vaak de houding van christelijke partijen, maar er is ook een humanitaire tegenhanger van deze grondhouding. De natuur is echter nog steeds een object om te conserveren door de mens als subject.
Vooral na de Tweede Wereldoorlog ontstond een ander inzicht. Gelijkwaardigheid van mens en natuur en doelgerichtheid zijn twee elementen in dit model. Realisering van de doeleinden gaat niet ten koste van de natuur als gelijkwaardige partij. Maar ecologische doelen kunnen wel beïnvloed worden met natuurontwikkeling, ook al beschouwt de mens zich in deze grondhouding partner van de natuur. In dit model is de natuur een betekenisvolle entiteit, een zelfstandige waarde naast de mens.
In het model, dat Zweers aanbeveelt als grondhouding speelt het intrinsieke-waardebegrip een sleutelrol. De waarde, de zin, waarvan de mens deel uitmaakt wordt niet door de mens bepaald of ingebracht. Nee, hij participeert zonder uitwissen van eigen specifiek menselijke vermogens. En eigen doelen kan men betitelen als nastreven van binnenuit, zoals ook andere natuurwezens doen, dus tegengesteld aan van buitenaf. De mens zal volgens dit perspectief inbinden en zich beperkingen opleggen, met behoud van zijn kennis en technologisch kunnen.
De begrenzing ligt in de erkenning van de intrinsieke waarde van de natuur waarvan hij deel uitmaakt. Dat is de uitgangshouding van de mens als participant aan de natuur.
De vraag is of de mensheid zich deze houding zo tijdig eigen kan maken dat hij in die omschakeling praktische middelen vindt om zich zelf te behoeden voor een milieuramp. De eigen doelen van de mens zijn dan geen laatste gegeven, maar ze zijn ingebed in de notie, het besef, van participatie aan de natuur.
Dolf van der Weij
voorzitter vereniging ‘Nieuwe Wildernis’
Eext, 15-05-2009



